Het koloniale beschavingsoffensief in Indië

Titel                     : Het koloniale beschavingsoffensief: Wegen naar het nieuwe Indië 1890-1950
Redacteur        : Marieke Bloembergen & Remco Raben
Uitgever           : KITLV, Leiden 2009
Pagina’s              : 361 blz

Dit boek verschijnt ter gelegenheid van het afscheid van Elsbeth Locher-Scholten van de Universiteit Utrecht. Veertien auteurs in deze bundel zijn Petra Groen, Marieke Bloembergen, Sita van Bemmelen, Henk Schulte Nordholt, Pieter Drooglever, Jur van Goor, Tessel Pollman, Berteke Waaldijk, Susan Legêne, Esther Captain, Remco Raben, Hans Meijerm, Bob de Graaff,  en Marten Kuitenbouwer.  Ze onderzoeken de tegenstrijdigheden in het ontwikkelingsbeleid en vooruitgangsdenken van het koloniale tijdperk, en de uiteenlopende percepties van hun nieuwe Indië.

De laatkoloniale tijd in Nederlands-Indië wordt vaak gelijkgesteld met het ’ethische’ tijdperk.  Rond 1900 startte de koloniale overheid, aangespoord door de regering in Nederland, met een beleid waarin zorg voor en ontwikkeling van de inheemse bevolking centraal stonden: de zogenoemde ethische politiek.

De ethische politiek in Nederlands-Indië had twee gezichten: aan de ene kant beoogde zij de ontwikkeling van de inheemse bevolking en maatschappij, aan de andere kant de uitbreiding en consolidatie van het koloniale gezag. Het spanningsveld tussen ontwikkeling en beheersing staat centraal in deze bundel.

In veel opzichten ontwikkelde het bestuur in Nederlands-Indië zich in de richting van een moderne staat. Deze staat ontleende haar gezag grotendeels aan geweld, maar wilde ook beschaafd zijn. De artikelen in het eerste deel richten zich op die paradox. Hoe verhielden de notie van koloniale beschaving (en ethisch denken) en geweld zich tot elkaar? Hoe, om te beginnen, kon een leger beschaafd zijn en moest dat eigenlijk wel? Om wat voor soort beschaving ging dat dan? Die vragen onderzoekt Petra Groen in haar artikel over de praktijk van seksuele zeden in legerkazernes, en, vooral, de pogingen om het concubinaat in de kazernes in Indië af te schaffen.

De relatie tussen koloniaal geweld en beschaving staat ook centraal in het artikel van Marieke Bloembergen. Zij onderzoekt via de politie – in het bijzonder een Minangkabause politieman – de tegenstrijdige noties van beschaving en (politieke) vooruitgang in de koloniale staat. Hoe zag ’de ideale politieman’ en formeel uit, wat zag hij, en welk inzicht kan hij verschaffen in de complexe ervaringen van moderniteit in de kolonie? En wat kan dit leren over het functioneren van de koloniale staat?  De laatkoloniale staat had belang bij sterke politie, maar ook professionele en beschaafde politie. Na een reeks hervormingen bestond er vanaf het begin van de jaren twintig een politiekorps dat zich tot op zekere hoogte spiegelde aan een ideaal van moderne  politie.

Vooruitgang is natuurlijk eenn dubbelzinnig begrip. Veel bijdragen in dit boek laten zien dat vooruitgang en beschavingsmissie vaak hun plaats hadden naast bestendiging van oude vormen. In een koloniale samenleving moesten er nu eenmaal grenzen aan de dynamiek worden gesteld. Sita van Bemmelen laat zien dat het kolonialisme in Batakland in Noord-Sumatra grote veranderingen teweegbracht. Op sommige punten was de invloed van de koloniale aanwezigheid direct, zoals de pogingen van zendelingen en bestuurders om het recht te hervormen; elders waren de effecten van het koloniale ingrijpen indirect, zoals de migratie van Batak mannen naar de plantages van Deli. Doordat veel vrouwen achterbleven, zochten zij steeds vaker hulp bij een rechtbank om van hun man af te komen.

Er waren overigens veel tekenen dat het ethische project in de jaren twintig doodbloedde, althans als formele beleidsideologie. Toch resoneerden ethische idealen tot het einde in de kolonie, al was het maar omdat de meeste ambtenaren in de jaren twintig en dertig door de ethische hoogleraren in Leiden waren opgeleid. Zo’n late ethicus was de beleidsambtenaar en latere luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook, die begin jaren dertig met enkele gelijkgestemden de groep De Stuw vormde. In zijn analyse van Van Mooks denkbeelden een beleidspraktijk betoogt Pieter Drooglever dat van Mook zijn doelstellingen heeft weten te verwezenlijken – althans dat het er bij zijn vertrek in 1948 op leek.

Een van de iconen van de koloniale orde was Jan Pieterszoon Coen, de vierde gouverneur-generaal die als grondlegger werd beschouwd van het Nederlandse rijk in Azië. Op verschillende punten was het beeld van Coen verbonden aan het ethische offensief. Jur van Goor verdiepte zich in de discussie rond Coen en vooral de episode die een smet op zijn blazoen van rationeel en dynamisch grondlegger betekende: Coens hardvochtige optreden jegens Sara Specx, het Indische meisje dat hij in zijn huis had genomen en dat hij met een jonge vaandrig betrapte. Dat was in 1629, enkele maanden voor Coens dood.

Van Goor analyseert de perceptie van de affaire-Sara Specx in de jaren dertig en erna en laat zien dat de kwestie links en rechts werd gebruikt om een nuttig beeld van Coen te schetsen, maar dat de auteurs van die beelden zich weinig aan het historische interpretatie van de affaire gelegen lieten liggen.

Een van de bewonderaar van Coen was Anton Mussert, de leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), die ook in Nederlands-Indie een grote aanhang wist te verwerven, niet alleen onder totoks, maar ook onder Indische Nederlanders. Tessel Pollmann laat zien dat de NSB niet slechts voor behoud van de koloniale orde was, maar zij streefde de vorming van een imperiale identiteit na, waarvan Nederland, Nederlands-Indië en koloniën in de Caraïben een integraal onderdeel zouden uitmaken – maar waar de inheemse bevolking geen deel aan kon hebben.

De banden tussen Nederland en kolonien hielden niet alleen Mussert, maar ook veel intelectuelen en kunstenaars bezig, een teken dat er buiten de staatkundige verhoudingen behoefte aan toenadering en synthese bestond. Susan Legêne en Berteke Waaldijk onderzoeken in hoeverre de ethische politiek – in termen van opvoeding en onderwerping – vorm heeft gegeven aan koloniaal cultureel burgerschap in Nederland. Ze maken duidelijk dat de verbeelding van een Nederlandse cultuurgemeenschap tussen moederland en koloniën nooit serieus uit de steigers is gekomen. De pogingen tot synthese verdronken in de politieke polarisatie over het beginsel van zelfbeschikking.  Tegen het einde van de koloniale tijd bracht de losmaking een radicale verschuiving teweeg in de wijze waarop de geestelijke band tussen Nederland en Indië werd verbeeld: als een voorbije jeugd.

De Japanse inval en bezetting rukten de koloniale orde van zijn grondvesten en isoleerden een groot deel van de Europese bevolking, maar wisten niet alle beschavingsconcepties uit te wissen. Esther Captain onderzocht hoe eten, en de herinnering daaraan, Europeanen in de Japanse burgerkampen bezighielden. Captain bestudeerde dagboeken en het bleek dat de verbeelding van eten niet alleen een strategie om te overleven was, maar leek het in zekere zin ook de noties over ’beschaving’ vast te houden en soms te problematiseren. Hoe verhielden beschaving en overleven zicht tot elkaar, en wat zei dat over de aard aan de voormalig ’eigen’ koloniale beschaving?

De Japanse inval betekende in veel opzichten een ruwe ommekeer van het leven in de kolonie. Een ding bleef hetzelfde:opnieuw was een buitenlandse mogenheid aan het bewind, met eigen ideeën over moderniteit, burgerschap en beschaving. Remco Raben analyseert de tegenstrijdigheden van beschavingsstreven en bestuurlijk geweld in Borneo. Het Japanse beschavingsoffensief bestond niet alleen uit japanisering, maar was er expliciet op gericht om de Indonesiër een nieuwe geest te geven. Het is de vraag hoe de  nieuwe geest aan de man in Borneo werd gebracht en of die boodschap overtuigend was. De Japanse autoriteiten hanteerden allerlei legitimeringsstrategieen, van cultuurpolitiek tot rechtspraak, die in Borneo echter alle snel doodliepen en de vorming van een legitimerend koloniaal burgerschap frustreerden.

In zijn artikel over de fameuze zaak rond de voogdij van het Indische meisje Bertha Hertogh, laat Hans Meijer zien dat de dekolonisatie niet alleen een politieke aftocht was maar ook een scheidingsdrama dat veel gezinnen persoonlijk trof, en dat, zoals in dit bijzondere geval, kon uitgroeien tot een conflict over religie en beschaving. Uiteindelijk ging het ook hierbij bovenal om politiek.

Bob de Graaff trekt in zijn afsluitende bijdrage aan deze bundel een vergelijking tussen de ethiek van het Europese imperialisme en recente discoursen over falende staten. Evenals honderd jaar geleden zijn het recente interventiestreven en de veroveringsdrang van het westen ethisch gelegitimeerd. Onder het banier van morele waarden worden perifere gebieden waar de westerse belangen worden geschaad onder westers gezag gebracht.

Veel bijdragen in dit boek bevestigen Elsbeth Locher-Scholtens these dat imperialisme en ethiek hand in hand gingen, maar ook dat de combinatie niet wrijvingloos was. De spanning tussen ontwikkeling en repressie is wellicht het belangrijkste kenmerk van het koloniale beleid. De artikelen laten ook zien dat ’ontwikkeling’, in de zin van vooruitgangsdenken, een dubbelzinnig en vaak tegenstrijdig streven was. Maar misschien nog wel belangrijker dan de constatering dat termen als vooruitgang, moderniteit en beschaving dubbelzinnig zijn en, in de termen van Elsbeth Locher-Scholtens karakterisering van de ethische politiek, een ’vergruisd beeld’ opleveren, is het besef dat ethiek, vooruitgangsdenken en beschavingsbegrippen niet waren voorbehouden aan de kleide kaste van koloniale bestuurders.

Foto van boek’s omslag: http://www.uu.nl/faculty/humanities/en/research/

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *